Gospelkoor Living Words

december 1st, 2009

Onder een stapel CD’s vond ik deze. Hij was er altijd trots op als ik zijn voiceovers aan anderen liet horen. Daarom deze, give it up for mijn vader. De allerlaatste keer!

Voiceover

Het park (1)

november 13th, 2009

Een maand later vind ik mezelf op het pad van een onpalig park, ik struin in de leegte van het gebladerte. Een kiosk, een kinderboerderij. Ik bekijk alles. Dit park is nu deel van mijn leven. Alles is groen, maar eerdaags vernietigend bruin.

Langzaam kijken de geitjes me na vanachter het terugtrekkend hekwerk, tot ik volledig ben verwaasd. Toch schijnt de zon soms nog in het park, dit park. Dit vreselijke balpark. Plotseling balt de wanstaltigheid van de beplanting in mij samen en vallen de snerende grappen mij in als convulsies.

De nare dingen die je kan zeggen over groen. Even verderop kan ik het niet meer laten. Ik echo: Ravot je los in het sjorbos!

Glas in een storm

oktober 19th, 2009

Het is half zes in de morgen. Waarachtig, mijn nachtlampje springt aan. Ik dacht dat ‘t kapot was, wat mij van schrik doet ontwaken. Buiten knalt de schemering in volle gloed. Waarom staat er een televisie aan? Ik graai naar een afstandsbediening en druk op een knop. Opeens is het weer donker in de kamer.

Vervolgens gebeurt mij iets onduidelijks, want het gedoezel heeft me gedachteloos gemaakt, en er verschijnt een visioen. Sommigen zouden het een droom noemen, een voorspellende droom dan wel. Het is een wereld op zichzelf namelijk, en ik loop er in een soort park, of nee, meer een uitgestrekt overwoekerd openbaar toilet. Allemaal boompjes, hagengroot en robuust en privé. Perfecte afwateringen. Wederom ontwaak ik. Op de automatische piloot wandel ik naar de badkamer en doe daar mijn behoefte. Op het toilet natuurlijk, liever dan tussen de bomen. Blij constateer ik dat ik nog zindelijk ben.

Hoewel ik straks tentamen heb, besluit ik nog even te doezelen. Meer slaap bevordert mijn prestaties immers. Weer een droom, veel heftiger nu. Ik zie mijn vader, zittend in zijn rode stoel. Hier in dit schouwspel leeft hij, lacht hij, zoals ik hem ken als sociaal figuur. Ik wil de mensen niet begrijpen die zich van hun ouders afzetten, laat staan de ouders die dat juist hebben verdiend. Maak toch wat moois van die eerstegraads familieband. Over de rest zal ik zwijgen.

De droom eindigt plotseling, verzaakt verder te bestaan. Maar ook een glimp van de hemel stemt mij vrolijk. Gelukkig als een kind begin ik aan dat godsgruwelijke tentamen. Halverwege stort ik in, maar word net op tijd gered door de koffiedame. Doet u er maar twee.

Ik droom weer, nu als een extase. Er dansen allemaal puntvormige deeltjes over mijn blik. Ja, ik ben onder invloed, dus dat vind ik niet gek. Maar ik wist niet dat de kleuren ook verschoven na zes bakkies koffie. En als het even wazig word klamp ik me vast aan het tafeltje om mijn enige uitweg naar de realiteit niet te verliezen. Helaas, ik zie mezelf ineens van boven. Ploeterend over sommetjes. Deeltjes. Puntvormige.

Om half drie loop ik het lokaal uit met een brede glimlach. Mijn studiegenoten vragen hoe het is gegaan. Ook zoveel deeltjes? Ik geef ze allemaal een zoen en stap bij een halte verlangend naar slaap in een openbaar gevaarte. Topwijven zijn het.

Nu is het vakantie. (Soort van.) Dag hoor, daaag!

Van de website van Prometheus geplukt

oktober 2nd, 2009

Vorig jaar hadden Martine en ik een clubje dat het bestaan van Pride & Prejudice (Jane Austen) uitbundig vierde. Dit was het wervende tekstje.

Voel de emotie. „My dearest Elizabeth. In vain I have struggled. It will not do. My feelings will not be repressed. You must allow me to tell you how ardently I admire and love you.”
Staan deze woorden ook in je geheugen gegrift? Oefen je stiekem voor de spiegel met het maken van een stijlvolle buiging? Ben je ook jaloers op die geweldige jurken? Of houd je gewoon van een sappig en romantisch drama? Dit jaar zullen we in ieder geval lekker vaak bij elkaar gaan zitten om te zwijmelen bij het verhaal waar Jane Austen groot mee werd. Ook staat er een heuse „Pride & Prejudice-marathon” op het programma. En houd je niet van ms. Elizabeth Bennet of mr. Fitzwilliam Darcy? Marco en Martine presenteren vol trots hun vollédige collectie BBC-kostuumdrama’s! Wees niet bevooroordeeld. Word gewoon lid.

Wordle

september 10th, 2009

Herkent u het poëem?

het is avond

Uit den ouden doosch: Het is avond

september 9th, 2009

Mijn slaap is toegedekt
en bruin bevlekt
op tafel naast het aquarel.
Hier schijnt een klein bestaan
zonder visite, maar wel
het blauw uit Delft dat niet bestaat.
De foto’s zijn al uitgelekt
in een droom die nergens over gaat;
een doffe vaas maakt dat een stapel
bijbels ieder jaar een keer vervelt.

En ik snuit mijn neus
om de tijd te doden.

Nu de regen regent

september 3rd, 2009

Het verbaast me nog elke dag. Dat een liter regenwater al voldoende is om mij dagenlang aan het snotteren te krijgen, terwijl de dieren buiten schijnbaar probleemloos gedijen in het hevigste hondenweer. Verkoukleumde koeien onder een exodus van verwaaiende vinken. Dat is toch niet gezond, of wel?

Helaas moet ik tegelijkertijd bekennen: ik ben niet zo bekend met het dierenrijk. En het dierenrijk niet met mij. Opmerkelijk wellicht, als ik van anderen te horen krijg dat ze hier eens een musje zagen kwinkeleren en daar gisteren nog een Wapitihert zagen rondjuffen. Dieren zijn overal, moet ik keer op keer concluderen, behalve precies op die plek waar ik me ophoudt. Het onmogelijke is gebeurd. Ik loop een wereld mis die heel rijk moet zijn. Het dierenrijk.

Toch, ik maak mij grote zorgen. De mens was vroeger ook een buitenbeest, maar wij zijn ons holbewonersbestaan ontstegen. Nu wonen wij in warme, kunstmatige percelen. Denkt u dat de dieren dat niet willen? Kijk eens naar uw kater, die spinnend zijn harige kont opsteekt als u hem een aaitje geeft tijdens het eten. Hij geniet van het warme gemak van uw perceel en heeft het voorrecht op het voeteinde van uw bed te mogen slapen. Maar de kikkers in de sloot vindt u vies en laat u buiten. Evenals de meeuwen op het dak, terwijl zij krijsen bij het leven.

Ronduit schrijnend. De evolutie moet door. De ziljoenen waterdieren komen aan land en de landdieren betrekken percelen. Binnenkort is uw buurman een doorontwikkelde goudvis en is dierendag een internationale happening. Scepsis is niet nodig. Accepteer onze positie als futiele minderheid. Help uzelf over die drempel. Etnische minderheden komen nu toch ook aan hun trekken? We vormen slechts een minieme fractie van het leven op aarde, het is een feit.

Vooruit, enkelen van ons zullen buiten moeten bivakkeren. Soms in de stal, soms beklad met paarse milkaletters op de Zwitserse hoogvlaktes. Maar dit is vermoedelijk goed voor onze evolutie. Mexicaanse griep? Onbestaanbaar! Gat in de ozonlaag? Niet meer alleen ons probleem, bovendien goed voor de fotosynthese. Regen? Een gouden ruilhandel voor het beste plekje.

Laten we niet flauw zijn, de dieren zijn in opmars. Laten we ze toejuichen en dienstbaar zijn, en laat ons alvast liters hemelwater in een plensende inhaalslag tot ons nemen.

Herinneringen aan papa

augustus 30th, 2009

(spreektekst voor overmorgen)

Lieve familie, vrienden en andere aanwezigen. Vandaag staan we stil bij mijn vader. Toen hij eind januari in het ziekenhuis werd opgenomen vanwege een ernstige longontsteking, had niemand gedacht dat we zijn lichaam zeven maanden later zouden moeten begraven. Hoewel de infectie op dat punt al was geconstateerd in zijn hoofd, werd hij ontslagen uit het ziekenhuis. Eind maart kon mijn vader zijn linkerarm moeilijker bewegen en in mei kreeg hij een zware epileptische aanval. Terwijl de infectie ondanks de medicijnen in zijn hoofd kon doorwoekeren, ondervond mijn vader de een na de andere neurologische klacht. Zijn karakter veranderde, hij kon zijn ledematen niet meer bewegen en op ’t laatst ging praten ook niet meer. Afgelopen donderdag, net toen de middagzon door het dubbelglas naar binnen scheen en het even leek dat hij niet ziek meer was, verliet mijn vader dit aardse bestaan op de leeftijd van 44 jaar. Veel te jong.

Mijn vader laat drie kinderen achter, mijn broertje, mijn zusje en mij. Ik wil u graag vertellen hoe hij ik hem als oudste zoon heb meegemaakt als vader.

Al in mijn vroegste herinneringen sprak hij vaak over vroeger. Over de tijd dat hij met zijn vader, opa Van Woerden, in Valkenburg kwam wonen. Trots vertelde hij dan hoe hij zijn brommertje eigenhandig opknapte. En dat hij zijn eerste auto ‘total loss’ reed, daar kon hij terugkijkend altijd hartelijk om lachen. Mijn vader hechtte veel waarde aan zijn wortels in het verleden. Ooit zou hij nog wel eens een huisje kopen in Kroatië of Zuid-Frankrijk, omdat hij zo hield van de warmte daar, maar hij wilde nooit meer weg uit de Bollenstreek.

Omdat mijn ouders besloten hier in Valkenburg te gaan wonen en ons alledrie in dit dorp hebben opgevoed, heeft mijn vader vaak de plekken uit zijn jeugd aan ons kunnen laten zien. De Zwarteweg in Noordwijk, waar zijn geboortehuis vroeger stond, en de bossen en bollenvelden waar hij als kind in speelde. Bijna ieder jaar reden we met de oldtimer die hij dan weer had gekocht en opgeknapt naar de bloemenvelden om daar, poserend op de motorkap en zwaaiend vanuit het bestuurdersraampje, een paar familiefoto’s te maken.

Auto’s, klussen en klanten. Over die handel, zoals mijn vader dat noemde, maakte je hem niets wijs. Nu ik het toch over auto’s heb, mijn vader was ook degene die ik belde als ik onderweg naar school eens een lekke band kreeg met de fiets. Met liefde bracht hij ons ook met de auto naar school, ook als het buiten kletsnatte pijpenstelen regende. Vandaar ook zijn titel ‘papa taxi, persoonlijke wegbrengservice’. Hij liet zijn kinderen niet in de kou staan. Later, toen ik bijna 18 werd en mijn rijbewijs zou halen, drong hij er sterk op aan om met mij het autorijden te oefenen op een verlaten industrieterreintje. Ik herinner me goed hoe bang ik was, maar dat hij me geruststelde door, ook een beetje uit eigenbelang natuurlijk, zijn hand op de handrem te houden terwijl hij hardop lachend instructies gaf. U begrijpt, die momenten op dat industrieterreintje zijn me nu heel dierbaar.

Mijn vader was ook op andere terreinen een grote motivator. Ik zal nooit vergeten hoe hij op iedere verjaardag en op alle feestdagen vol trots opschepte over de prestaties van zijn kinderen. Vincent die VWO ging doen, Amanda die met hoge cijfers van school afging en in haar eigen huisje in Katwijk ging wonen samen met Danny, en ik toen ik ging studeren. Als hij eenmaal op z’n praatstoel zat, dan verkocht hij iedereen de prachtigste verhalen, die hij aanvulde met een breed scala aan flauwe grapjes, waar hij vooral zelf om kon lachen.

Ik ga nog iets verder terug. Ik zie een vader die met mij op mijn zolderkamertje met Lego en autootjes speelt, omdat hij het stiekem zelf ook nog leuk vond. Ik zie de talloze keren dat hij in de keuken stond om spaghetti of pilaf te maken.

En als we ons bord niet leegaten, dan vertelde hij bij wijze van dreigement dat hij dat vroeger nooit zou hebben geflikt, omdat hij er dan yoghurt overheen kreeg en het geheel alsnog moest opeten. Je wist nooit of dat verhaal waar was, maar hij wees ons er wel mee op de goede weg.

Maar ik heb nooit yoghurt over mijn eten gehad, want mijn vader was geen autoritaire man. Hij liet ons de weg zien, adviseerde ons, maar liet de keuze zelf en de consequenties daarvan aan onszelf. Zo herinner ik me hoe mijn vader mijn zusje in haar roerige puberjaren talloze malen van straat plukte als ze weer eens streken had uitgehaald, een goed vader-dochter-gesprek met haar had, maar haar daarbij altijd in bescherming nam. Ook mijn broertje Vincent, met zijn muziek- en kledingstijlen, heeft hij altijd geaccepteerd. Ik weet het ook nog zo goed dat hij me zeven jaar geleden samen met mijn moeder stond op te wachten na school, toen ze erachter waren gekomen dat ik op jongens viel. Ik was heel bang, maar hij stelde me gerust. Mijn vriendje Koen, die mijn vaders passie voor auto’s deelde, mocht mee op vakantie. En ze zeiden dat ze van me hielden, wie ik ook was.

Terugkijkend naar mijn babyfoto’s, zie ik weer die herkenbare trotse blik van een liefhebbende vader die met mij op babyzwemmen zat. Welke vader zit er tegenwoordig nog op babyzwemmen. Net zoals hij zijn verleden belangrijk vond, zal ik altijd veel waarde hechten aan het verleden met hem, de 22 jaar dat ik hem in mijn leven mocht hebben.

Ik zal zijn adviezen missen als ik een zakelijk probleem heb met werk of studie, ik zal zijn anekdotes en grapjes missen. Ik zal zijn mosselen missen met Oud en Nieuw, en zijn verkoperspraatjes over hydrauliek en pneumatiek. Zijn lach, zijn spaghetti, zijn vakantiefoto’s uit Kroatië, zijn aanwezigheid op vaderdag. Waarom is hij weg? Ik snap het niet. Ik ben verslagen en ontwapend. Maar papa, dank je wel dat je er was.

Fluisteringen van het moment

augustus 19th, 2009

Dag lieve papa. Ik denk dat je me wel hoort. Wat adem je rustig nu ze je dat middeltje hebben gegeven tegen de pijn. Het lijkt erop dat je slaapt. Gek eigenlijk, nu een prachtige zomerdag door het dubbelglas naar binnen schijnt lijkt het alsof je niet ziek meer bent. Maar zeg maar niets, spaar je krachten om je te richten op wat komen gaat. Er hoeft toch niets meer te worden gezegd.

Hoor je me? Ik houd van jou. Ik weet dat je trots bent. Een trotse vader, een trotse echtgenoot. Iedereen heeft zijn fouten, maar voor mij ben je een goede vader, papa. En ik probeerde je daar ook aanleiding toe te geven, want ik ben ook trots op jou. Je hebt zoveel bereikt lieve papa, zoveel mensenlevens verrijkt met jouw bestaan. Ik dank zelfs mijn bestaan aan jou.

Papa, wees niet bang: laat maar los, ik houd je vast. Mijn hoofd wiegend op de door jouw lichaam verwarmde dekens. Op deze plek is iedere gedachte aan tijd een nietsbetekenende contemplatie. Ik zorg voor jou, zoals jij ruim twee decennia deed voor mij. Bedankt daarvoor lieve papa.

Hij hoort me. “Lieve jongen,” antwoordt hij in fluisterende onverstoorbaarheid.

Burgers, boeren en buitenlui

augustus 6th, 2009

En natuurkundigen. Nieuwsgierigkritische mensen met ogen voor zelfs letterlijk de kleinste details. Een punt, een komma, de bolvormigheid van de aarde. Ze hebben ook de magnetron ontdekt, dat apparaat waar de moderne mens praktisch zonder inspanning zijn dagelijkse warme maaltijd uit krijgt geserveerd. Dat is gewoon commercie natuurlijk. U kunt ons niet kwalijk nemen dat we ook wat geld willen verdienen als wetenschappers. Niemand kan meer zonder magnetron en televisie, paperclips en zwaartekracht. Kost u allemaal geld.

Maar het meest basale is misschien toch wel licht. Wie heeft in godsnaam licht uitgevonden?

Licht. Ik weet nog wel dat ik er vroeger over nadacht, liggend onder het blij verwarmend zolderraam waar middagenlang een zonnetje op stond. Bang als ik was voor het donker, tuurde ik uur na uur verlangend naar het oog van het universum. Als een soort zonnebloem.

Van warmte heb ik overigens nooit veel gehouden. Ja, warm water, maar warm weer zint me niet. Tenzij het weer warme regen is natuurlijk. Goed.

Intussen heb ik ontdekt wat licht is en ben ik ook te weten gekomen dat niemand licht zelf heeft ontdekt. Licht was er al, en we gebruiken het al sinds we als eencelligen langzaam de evolutielijn doorvoeren omhoog tot de wezens die we nu zijn. Plotseling begrepen we wie we waren en ontstonden er burgers, boeren en buitenlui. En natuurkundigen. Nieuwsgierigkritische mensen die niet het licht uitvonden, maar wel de verlichting. En wel de telefoon, maar niet het gesprek.

Spannend, wat zou de volgende uitvinding zijn? Dag lieve burgers.

Uit den ouden doosch: Leeg water

juli 31st, 2009

Mensen die mij kennen zullen weten dat ik alleen schijnbaar makkelijk ben in de omgang voor mensen die mij niet kennen. Deze ironie vind ik soms ook terug in verhalen die ik schreef in mijn puberteit. Deze waren oprecht geschreven uit een melancholisch hart. Hoewel ik deze gevoelens nu meestal niet meer zo laat merken, lijkt het mij goed ze nu en dan weer eens te herleven door de verhalen te lezen. Zoals deze, geschreven in 2004. Ik heb ‘t een nieuwe titel gegeven. Ik vraag u niet of u het ermee eens bent. Ik vraag u slechts: leest u toch.

Leeg water

Soms bevindt men zich op een punt van waaruit men de ganse wereld lijkt te kunnen doorgronden. Enkele seconden ziet men dan haar stemmingen, haar verleden en haar toekomst. Vaak is dat een prachtig gezicht en geeft het een heerlijk gevoel. Kwijnend bekijkt men dan het beeld.

In alle jaren dat ik lesgaf had ik mij de gewoonte aangeleerd om na iedere werkdag naar de krijtrotsen langs de kust te gaan. Iedere dag beklom ik hetzelfde hobbelige paadje dat steil naar de top van een van de hoge uitstekende punten liep. Eenmaal boven gekomen kon ik genieten van het uitzicht. Iedere middag zat ik daar op het bankje naast een bessenstruikje, op een plaats waar verder eigenlijk niets wilde groeien. Datzelfde bessenstuikje, dat daar iedere lente lichte bloemenknopjes voortbracht. En iedere herfst verdorde en dood leek te gaan – vooral op die momenten had ik het daar moeilijk mee. Als mens had ik de mogelijkheden om naar het wonderbaarlijke gezicht van de wereld te kijken dat zich vanuit die zalige plaats voor me uitstrekte. Maar dit struikje kon dat niet. Hoe ironisch vond ik het niet, dat het armzalige schepsel op uitgerekend deze plaats zo hard zijn best moest doen om in leven te blijven, terwijl ik daar zo zat op dat bankje, uitkijkend over de zee. Op droge zomerdagen had ik daarom altijd wat water bij me in een gieter, die ik dan zachtjes liet leeglopen bij de wortels van het kleine plantje. ‘Lekker vind je dat hè,’ zei ik wel eens en ik kon het plantje dan bijna horen huilen van geluk, omdat ik zijn leven gered had. Het water sijpelde verkoelend langs zijn kleine stam en zodra het bij zijn wortels kwam slurpte hij het op. Het schepte tussen dat bessenstruikje en mij een speciale band. We waren vrienden.

Eigenlijk ben ik nooit meer met die gewoonte gestopt en is onze vriendschap altijd gebleven. Ieder jaar zag ik hoe het struikje groeide, in bloei stond, witte besjes voortbracht en aan het eind van het seizoen verdorde. Enkele slijmerige slierten werden dan door de laatste insecten opgegeten, totdat er uiteindelijk alleen nog een netwerk van kale bruine takjes overbleef. Ik noemde dat zijn winterslaap, omdat het leek alsof hij dood was. En ik wist dat het struikje op die manier de winter kon overleven, zodat het volgend jaar weer heerlijk kon groeien. Maar ook als hij sliep bezocht ik hem. Samen met mijn slapende vriend zat ik op die hoge krijtrots, terwijl de sneeuw dwars door mijn katoenen jas heen leek te gaan. Zo ging dat iedere winter. Hoewel het uitzicht ook dan prachtig was, ging ik er niet heen voor mezelf. Ik hield vast aan mijn gewoonte, in de hoop dat het dierbare struikje mijn aanwezigheid zou opmerken. Een beetje zoals dat ook bij mensen is, wanneer ze in coma zijn. Ik wilde hem laten merken dat ik er altijd voor hem zou zijn, dat we echte vrienden waren. De heersende sneeuwbuien en de gure zeewind hielden mij niet tegen.

Vijftien jaar lang heb ik met dit struikje deze vriendschap gehad. Een vriendschap zonder voorwaarden, waar ik na de chaos der mensen iedere dag naar uitkeek. Het was het hoogtepunt van mijn dag. Natuurlijk waren er gedurende die periode ook momenten waarop de vriendschap minder goed was, zoals bij alle vriendschappen. Dan was ik meer bezig met mezelf, dacht ik aan de wezenloosheid van mijn bestaan en tuurde ik over die vlakke watermassa die voor me lag. De wind slaakte kleine zuchtjes en de zon brandde op mijn voorhoofd. Waarom moest ik aandacht schenken aan die stomme plant, terwijl er zoveel belangrijks te overpeinzen is? De vriendschap voelde dan aan als een van die beslommeringen die ik juist wilde ontvluchten en dat verbitterde mij. Dat deed onze vriendschap tijdelijk geen goed, maar het herstelde zich iedere keer opnieuw. Zonder te spreken wist ik wat ik aan dat struikje had. Waarlijk, hij was mijn vriend. Ik kon niet lang boos blijven.

Toch veranderde er iets. Op een keer had ik overgewerkt en kwam ik te laat aan bij het bankje, waarop ik al die jaren rond dezelfde tijd gezeten had. Vanaf het dorpje onderaan de rotsen had ik vijf kilometer gerend, totdat ik niet meer verder kon. Ik dacht dat ik nog wel op tijd zou komen, en wellicht had ik het gehaald als de hitte die dag niet zo uitbundig was geweest. De rest van de weg had ik gewandeld en gesjokt, totdat ik eindelijk boven was. Ik ging op het bankje zitten en keek naar enkele meeuwen die voor mij enkele vreugdevluchten over die heldere zee maakten. Het zou niet lang meer duren voordat de zon onderging. Ik keek naar mijn vriend, dat kleine struikje. Hij kon al over de rand van de krijtrots naar de zee kijken.

‘Gaat het goed?’ vroeg ik in mijn onbenulligheid, terwijl ik ongeïnteresseerd zijn kant op keek. Tot dan toe had de struik altijd witte bessen voortgebracht, en nog steeds zag ik dat enkele takken rijkelijk gevuld waren met de voor mij zo vertrouwde bessen. Nooit had ik er een aan durven raken, omdat ik dacht dat het hem misschien pijn deed. Absurd eigenlijk, alleen al vanwege het feit dat bessen door veel beesten worden gegeten en dat het struikje nooit had gezegd dat het niet mocht. Hij had eigenlijk nog nooit wat tegen me gezegd. Maar men kon niet weten, daarom deed ik het maar niet.

‘Wij hebben geen woorden nodig hè,’ zei ik als een soort geruststelling. En inderdaad, ook nu kwam er geen antwoord. Hoe simpel en dom mijn vraag ook was. Ook nu hoorde ik geen bevestigende woorden dat het struikje daadwerkelijk leefde. Geen tegenwerping of goedkeuring, geen bevredigende discussies over de leegte of euforie van het bestaan. Er was geen aangrijpingspunt of gespreksonderwerp.

Plotseling drong mij het onverteerbare besef op dat ik wellicht al die jaren voor niets naar deze plaats was gekomen. Het gaf me een misselijk gevoel en ik verwierp de gedachte onmiddellijk. ‘Onacceptabel,’ zei ik toen, terwijl ik opmerkte wat er zo vreemd aan de struik was. Ik wilde het eerst niet geloven, maar toen ik dichtbij keek zag ik het wel degelijk. Een trosje rode bessen hing aan een van de dikkere, oudere takken onderaan het struikje. Rood, in plaats van wit. Was het een antwoord op mijn vraag, een boodschap, een signaal? Het was een onregelmatigheid die ik niet eerder had aangetroffen, en ik had geen idee wat ik er mee aanmoest. Ik bemerkte hoe mijn emoties bepleitten het fenomeen te negeren, terwijl mijn verstand fervent vasthield aan het plan om de bessen verder te observeren. Volledig tegen alles in had dit struikje rode bessen voortgebracht. Kleine rode vruchtjes. ‘Weet de Heer hiervan?’ Ik kon er niets mee.

Net toen ik een besluit wilde nemen voelde ik hoe een plakkerig goedje in mijn nek viel. Het was vogelpoep. Ik keek verontwaardigd naar de ondergaande zon, die met haar onderste puntje de zee aanraakte. Wat een nare plaats vond ik het eigenlijk, en allerlei verscholen frustraties maakten zich van mij meester. Er was helemaal geen vrede op deze plaats. Het was een rotplek, waar het altijd stonk naar hondenpoep, waar het altijd koud was en waar geen mens kwam, omdat er gewoon niets te doen was. Zoveel tijd had ik verknoeid met een vriendschap die niet bestond, slechts in mijn hoofd.

Instinctief plukte ik een van de rode besjes en at hem op. Het was een hele zoete bes, en hij smaakte best lekker. ‘Onacceptabel,’ zei ik nogmaals, bij wijze van uitbarstende koppigheid. Ik at nog een bes, en nog een, en nog een. Ik at alle rode bessen. Ze smaakten zoet en lekker. Al die jaren van verzorging hadden zeven heerlijke rode bessen voortgebracht. Hele sappige bessen, ik vond ze verrukkelijk. Ik voelde nog hoe de laatste met zijn kleine zachte steeltje door mijn slokdarm ging, terwijl ik al een tros witte besjes in mijn hand had. Ik at ze op, en ik proefde een sterke smaak van alcohol uit de harde droge balletjes komen. Walgelijk was het, maar ik slikte ze door en plukte meer trosjes. Achter elkaar plukte ik trosjes en slikte ze door. Steeds meer en steeds sneller, totdat ik uiteindelijk niet eens meer kauwde en gretig alles in een keer verslond. Na enige tijd waren alle bessen verzwolgen en ging ik op het bankje zitten. Door alle besjes zat ik vol en het gaf weliswaar een voldaan gevoel, maar ik voelde me heel ongemakkelijk. Een goede vriend was weg en ik had hem ook nog bestolen van alles wat hij had. Er was werkelijk niets meer van over. En ik zat daar maar op dat bankje, uitkijkend over het fundament van de wereld, wat het toch eigenlijk niet bleek te zijn.

Toen voelde ik hoe een grote luchtbel zich in mijn maag vormde en een tintelend gevoel veroorzaakte. Het maakte me opgewonden en ik bewoog mijn hand in de richting van mijn buik, maar kwam hier niet ver mee vanwege de schielijke pijn in mijn gewrichten. Het hield aan, totdat een knetterend geluid uit mijn borstkas een periode van nog grotere pijn inluidde. Wat gebeurde er met me? Maar voordat ik er over kon nadenken verloor ik mijn normale zicht en leken alle kleuren te verschuiven. Nu zag ik de zon als een grote roodoranje bes en leek het alsof ik er van onderwater uit naar keek. Ik zag hoe leeg de zee was en welk een paarse gloed de lucht had. De wereld bestond alleen nog maar uit kleine puzzelstukjes, die nu naar willekeur door elkaar lagen. Het lot bestond niet meer en alles moest toeval zijn. Ik verbeeldde me dat dit de dood was. Dit was het hiernamaals, op de plaats waar ik dood ging. Ik was vergiftigd en het was mijn eigen schuld.

Ik stond op en liep naar de rand van de hoge krijtrotsen, alwaar het leek alsof ik de hele wereld kon doorgronden. ‘Dus toch!’ riep ik nog, terwijl ik mij voorover naar beneden liet vallen. De zee was waarlijk leeg en had geen bodem. En toch kwam het op mij af. Ik hoorde hoe tientallen meters krijtrots langs mijn benen schraapten en het vel verwijderden. Voor enkele seconden voelde ik de wereld en betastte ik de ruwheid van haar stemmingen.

Beneden sloegen golven van leegte op het groene strand. Ik kon zelfs de schelpen van het zand al onderscheiden. Ik voelde niets. Al die jaren had ik het kleine strandje niet opgemerkt. Het was een prachtig beeld waar ik kwijnend naar keek. Maar toen ik er aankwam was het weg.

Haaaarrrry

juli 15th, 2009

Herrie in de Arenabioscoop. Harry Potter, het manusje-van-alles in de magiewereld, was terug. Lang geleden begonnen als kindervriend speelt hij nu in een spannende Bijlmerfilm. Je leest het goed. De voorpremiere van de nieuwste Harry Potter-film werd vertoond in die illustere volksbuurt in Amsterdam Zuid; de sfeer in de film heeft iets weg van de wijk. Een nacht in de Bijlmer kan, net zoals de film, magisch en donker zijn. Soms fiets je hard door, soms sta je stil.

Rond 3:00 rolde de aftiteling. Een lied, een taxi. Het thema van Harry Potter blijft helaas altijd wat lang hangen. Harry Potter is een begrip geworden, een bijvoeglijk naamwoord. Onderweg naar mijn huis passeer ik meerdere bushokjes met zijn naam erop.

‘k Heb mijn fiets een dag later opgehaald, met daglicht. Dan is de kans op bendeoorlogen iets kleiner. Harry was overiegns ook wat ouder en hariger geworden. Dit terzijde.

Herrie in die buurt dus. Maar ik wil het u niet gemakkelijk maken en al helemaal niets verpesten voor als u die film nog gaat zien. U moet de magie van Amsterdam Zuid-Oost zelf maar eens uitvinden. Vanaf het centrum door Diemen en Duivendrecht. Plotseling vertrekt er een treintje en daarachter verschijnt een wonderlijk landschap. Bijna zoals in die andere kinderfilm, heette die niet Narnia of een afgeleide daarvan?

Nu ben ik moe. Harry schreeuwt in mijn hoofd. Hoewel hij een fantasiepoppetje is, moet ik constateren dat hij leeft.

Een goede daad?

juli 14th, 2009

Stelt u zich eens voor, u bent een eend. Zoals u gewend bent dartelt u wat in het water, u slobbert, u kabbelt en u deint. De takken van de treurwilgen staan er tijdloos bij terwijl u de Hollandse polder doorkruist.

Maar dan wordt u in het kielzog van vele soortgenoten, mannetjes en vrouwtjes, naar de oever getrokken. Zou er gevaar zijn? U kijkt, u bezint, er is geen gevaar, maar uw lichaam is behekst door het instinct en ondanks de grillen van uw vrije wil stuntelt u naar de oever. U moet.

Daar aangekomen meldt een oude scharrel van u dat het zo heerlijk is. Het doordrenkte voer petst in grote onverschrokken brokken tussen uw kwakende gelijkgestemden. U twijfelt. Een oud vrouwtje staat aan de oever de beheksende broodstukken te gooien uit een plastic zak. Wat wil dat mens? Wie zou er niet achterdochtig van worden?

Toch begint u te eten. Wederom heeft u geen keus. U moet. U bent eend.

Vreemde snoeshanen rond Molen de Valk

juli 10th, 2009

Geschiedenis van de Leidse homobeweging, een stuk van Marco van Woerden en Elise van Alphen

Waar vrouwelijke en mannelijke homoseksuelen in de vroegmoderne tijd elkaar enkel heimelijk in bosjes aan het Rapenburg konden ontmoeten vrezend voor verbanning of erger, voerde 2 juli 2009 de ‘peurbak’ van het COC Leiden met dansende en blinkende homo’s en lesbo’s prominent door de Leidse grachten. De geschiedenis van de Leidse homobeweging in vogelvlucht.

Halverwege het vorige millennium groeiden de nederzettingen van Holland uit tot grote dorpen. Amsterdam, Den Haag en Leiden groeiden uit tot zulke grote enclaves dat ze steden werden, waar Hollanders een leven vonden zonder de sociale controle van het boerenland. In de christelijke Nederlandse Republiek zag de regering zichzelf als moraalridder en u begrijpt, zeker in de steden moest paal en perk gesteld worden aan de oeverloze schendingen van de Bijbelse waarden. Hoereren, godslastering en sodomie werden strafbaar gesteld.
Sodomie was in de vroegmoderne tijd een beetje een containerbegrip voor alle vormen van seksuele handelingen die niet tot baby’s leiden. Eenmaal beschuldigd van sodomie of tribadie (tribadie werd specifiek gebruikt voor seks tussen vrouwen) werd je met fakkels en bolderkarren door het woedende volk voor de rechterlijke macht gesleept. Marteling was een beproefde methode om de waarheid te achterhalen. Liggend op de pijnbank met twee tangen bevestigd aan de tepels komt een mens immers tot diepere gronden en herinnert zich plotseling zijn immorele daad.
In de Gouden Eeuw (1600-1680) werden in textielstad Leiden 5000 mannen en 3 vrouwen van sodomie beschuldigd en gemarteld. Hoewel de rechtelijke macht in Den Haag hier directe zeggenschap over had, werd het vonnis gezien als een bestraffing van goddelijke hand. Een man moest zijn zaad niet verspillen. Zie hier, een mogelijke verklaring waarom er maar een beperkt aantal tribadie-rechtszaken uit de vroegmoderne tijd in Europa bekend is. Zo ook in Leiden. Helaas weten we hierdoor ook minder van de lesbische liefdesgeschiedenis in Leiden. Eén verhaal is het vermelden waard: De Leidse Maeijken Joosten wist haar geliefde Bertelmina voor haar te winnen door zichzelf als man voor te doen. Zelfs voor het altaar van het Leidse stadhuis in 1606 wist Bertelmina nog niet het ware geslacht van haar echtgenoot. Het eerste homohuwelijk in Leiden was helaas maar een kort leven beschoren: zeven maanden later werd Maeijken verbannen vanwege sodomie.
Ondanks de zware straffen op sodomie, ontstonden er steeds meer plekken in openbare ruimtes of in de open lucht waar ‘sodomieten’ elkaar konden ontmoeten. De bosjes aan het Leidse Rapenburg was een populaire cruiseplek. Net zoals in het Amsterdamse gemeentehuis of in de bijgebouwen van de Utrechtse Dom kwamen hier mannen om lekker snel aan elkaars pikken te viespeuken.

Groepsmasturbaties bij Molen de Valk

Het klokkenluiden van de koster van de Utrechtse dom in 1730 over mannen die tussen de resten van de kerk hun lusten op elkaar botvierden (zie hier de betekenis van de term Utrechtenaar), maakte hier einde aan. Er kwam een massale jacht op sodomieten, die vreemde snoeshanen die iets homoseksueels hadden gedaan, die tot 1731 duurde. Met de geringste verdenking op pijpen, anale penetratie of een verkeerd bedoeld schouderklopje kon je in de periode 1730-1731 verbannen of zelfs gewurgd en verbrand worden. De sodomietenvervolging had echter niet het gewenst effect. Sodomie of wat later homoseksualiteit ging heten, bleef bestaan. Iets meer uit het zicht, dat wel.
Tijdens de naweeën van de massavervolging hadden zich homoseksuele groepjes gevormd, communes, die samenleefden en bedden deelden. Zo ook in Leiden. De Leidse professor Andrew Baxter had Edinburg voor de seksuele vrijheid in Nederland verruild en deelde zijn huis aan de Rijnsburgerweg met zijn Schotse mannelijke studenten aan wie hij erotische brieven schreef. Hij leidde ook een Leidse studentikoze club waar achttiende-eeuwse homo’s hun verboden lusten konden najagen.
In 1811 was sodomie niet meer strafbaar in de polder. Niet zozeer omdat homoseksuele handelingen moreel geaccepteerd werden, maar aangezien de Code Pénal van Napoleon werd ingevoerd. Relaties tussen volwassenen werden niet meer als een staatszaak gezien. Het bleef echter geen goed idee om ruchtbaarheid te geven aan je homoseksuele gedragingen en gevoelens. Als men je van sodomie verdacht, dan waren je carrière en trouwkansen wel verkeken. Het was dan geen strafrechtelijke verbanning, maar verhuizen was dan wel aan te raden. Weer die louche hotelkamertjes in dus. Met name in de grote steden tierde homoseks welig voor het aanbreken der dageraad. Ook in Leiden, vooral rondom Molen de Valk en op het Rapenburg, bleven groepsmasturbaties en gangbangs niet uit. Toch wisten de (hetero) Leidenaren het nog zeker in de negentiende eeuw: Leiden had geen sodomieten of zoals men ze eind negentiende eeuw aanduidde: homoseksuelen.

Van Leids studentje naar eerste Nederlandse homoactivist

Nederlandse mannen en vrouwen met zondige seksuele gedachtes keken eind negentiende en begin twintigste eeuw met veel interesse naar Duitsland. In Berlijn was het een losgeslagen boel met zijn talloze achterafcafeetjes voor homo’s. Medici konden naar hartelust nadenken over de oorzaken van sodomie. Queer scientists als Richard von Krafft-Ebing (1840-1902) en Magnus Hirschfeld (1868-1935) leefden in Berlijn in relatieve vrijheid en richtten het Duitse Wissenschaftlich-Humanitäre Komitee op.
In 1912 kwam er een Nederlandse pendant, de Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK), waarmee de Nederlandse homobeweging aanving.
Oprichter hiervan was Jonkheer Jacob Anton Schorer. Hij werd dé sleutelfiguur van de vooroorlogse Nederlandse homobeweging. Afkomstig uit een hoogstaande Zeeuwse familie, was Schorer zich al vroeg bewust van zijn ‘onzedelijke neigingen’ en was hij een groot bewonderaar van Magnus Hirschfeld en zijn homojaarboek Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen. Waarschijnlijk had hij tijdens zijn studie en promotietijd aan de Leidse rechtenfaculteit wel eens wat ‘verkeerde’ kroegen bezocht. Sodomie beschuldigingen in 1903 zorgden voor een vroegtijdig afscheid van Schorers glansrijke carrière als kantonrechter. Hij vluchtte naar Berlijn waar hij Hirschfeld ontmoette, waar hij het voornemen nam om bij terugkomst naar Duits voorbeeld het NWHK op te richten om zo de grote clash tussen hetero’s en homo’s op te lossen.
Ook was de oprichting van het NWHK een reactie op een wetsartikel dat minister van Justitie Regout verzon in 1911, dat een zwarte bladzijde in de homogeschiedenis inluidde, het notoire artikel 248bis. Ondanks Schorers politieke lobby werd seks tussen gelijke geslachten strafbaar indien een van de seksuele partners jonger was dan 21 jaar. Bij hetero’s lag de grens op zestien jaar. Het hoge besmettingsgevaar van homoseksuele gevoelens, was het argument hiervoor. Vanuit zijn residentie in Den Haag bleef Schorer zijn hele leven bezwaren tegen deze wet aantekenen. Hiernaast schreef hij open brieven, verspreidde hij folders onder studenten over het Uranisme (een nieuw begrip voor homoseksualiteit wat in zwang was geraakt) en verzamelde hij homo-erotiserende literatuur die moest aantonen dat het homo-zijn niets speciaals was. Grote schrijvers als Louis Couperus en Jacob Israël de Haan schreven boeken over morele ‘wansmaak’ en het stiekem geilen op jongere ondergeschikten. Seks was toen, net als nu, vaak ook gewoon commercie. Zo werd Schorer, ooit een Leids studentje, Nederlands eerste homoactivist.

Het onnoembare

In de crisisjaren was het droevig gesteld met de homobeweging. Een docent van een openbare school in Leiden werd ontslagen alleen al op verdenking van het ‘onnoembare’. Bovendien namen de pakkansen op basis van artikel 248bis toe voor homo’s, schandknapen en hetero’s die eens uit een ander vaatje wilden tappen. Ook werd castratie voorgesteld als therapie en vanaf 1938 toegepast. De schandalen die in de jaren twintig en dertig afspeelden en de aandacht van de confessionelen voor de homoseksuele zonde, zorgden ervoor dat het bestaan van homoseksualiteit zichtbaarder voor de Nederlandse bevolking werd. Homoseksualiteit werd daardoor paradoxaal en schoorvoetend steeds meer bespreekbaar. De duizenden brochures die Schorer over het uranisme in zijn leven had verspreid, zullen hier mogelijk ook aan mee hebben geholpen. Met het eigenhandig verbranden van zijn adressenbestand na de inval van de Duitsers, bracht Schorer zelf de eerste Nederlandse homo-organisatie ten einde.

Stokje overgeven

Na de bevrijding werd Jonkheer Schorer benaderd door Niek Engelschman vanwege plannen om een homo-organisatie op te richten, maar Schorer hield zich vanwege de frivoliteit van de nieuwe organisatie er in eerste instantie afzijdig van. Niek Engelschman en anderen gingen door met hun plannen en in 1946 hadden ze de Shakespeare Club opgericht. Al snel werd de naam van deze nieuwe club in het Cultureel Ontspannings Centrum (COC) veranderd. In 1957 stierf de eerste voorvechter voor de homo-emancipatie. Het COC dankte veel aan hem.
De bekende binnenhuisarchitect Benno Premsela nam in 1964 het stokje van Engelschman over en werd voorzitter van de ‘Nederlandse Vereniging van Homofielen het COC’. Het COC had een duidelijk doel: afschaffing van 248bis, zodat het COC ook jongeren onder de 21 kon verwelkomen. Hoewel veertig procent van de ondervraagden in 1966 niet eens wist wat homoseksualiteit was, bleek na uitleg, dat het volk homoseksualiteit massaal afkeurde. Stapje voor stapje werd homoseksualiteit bekender en ook meer geaccepteerd in de jaren zestig. De massamedia deed zijn intrede, en culturele ontwikkelingen, homo’s in theater, cabaret en tv hielpen hier ook een handje aan mee. Zelf verscheen ontwerper Benno Premsela in 1964 op landelijke televisie.

Heus, een Leids COC

Voor jongeren was Leiden maar een saaie, dode boel begin jaren zestig. In het Volkshuis kon men onder toezicht ‘rock en rollen’, maar nozems –‘verwilderde jongeren’– werden geweerd. In de stad rook men een penetrante spruitjeslucht. De hasjrokende protestgeneratie die langzaam ontstond was niet vies van een politierelletje of een ondergrondse LSD-trip. Er gebeurde iets, heilige huisjes werden geschonden. Er werd een ‘Leids Vrijetijdscentrum’ (LVC) opgericht voor jongeren en Ben Walenkamp bestierde een maatschappijkritische boekhandel en ‘koffieshop’. Redacteur Henk Vink plaatste in het universitaire ‘LUB’ de ludieke opmerking ‘ Doe het ook eens met je hoogleraar!’, waarna de redactie aftrad. Hoewel de beweging zich maar moeizaam organiseerde, ontvouwde de seksuele revolutie zich ook in de hoofdstad van de Bollenstreek.

Er werd ook openlijk met homoseks geëxperimenteerd. Cruisen kon in het Leidse Hout, het Plantsoen en rondom de molen. In De Veronicabar gaven dronken studenten en werkende jongeren zich welwillend over aan hun geaardheden. Ook in café Van Melsen aan de Nieuwe Beestenmarkt en de Wimpey Bar aan de Hogewoerd draaide men soms nichtenmuziek. Een lesbobar had Leiden niet. Eind jaren ’60 werd de Leidse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit (LSWH, 1968) opgericht door vier studenten Nederlands met als doel Leiden gay friendly te maken door succesvolle integratiefeesten en het uitbrengen van pamfletten. Hun leus was ‘Integratie door konfrontatie’.
Toen de homofeesttent MIKS (1970) er kwam, kon niemand de Leidse homobeweging meer stoppen. De ‘Leidse Werkgroep Homoseksualiteit’ (LWH) werd vanuit MIKS opgericht door de mannelijke en vrouwelijk homo’s in 1974 en vestigde zich in een theehuis aan de Nieuwe Rijn 20a. De potten splitsten zich in de lente van 1976 af onder de naam LVL, de ‘Lesbische Vrouwen Leiden’. Na een relletje met de pisbakken aan de Tweede Binnenvestgracht en de viering van Roze Zaterdag op 25 juni 1983 was het ook voor de gewone Leidenaren duidelijk geworden: Leiden was niet slechts heteroseksueel.

Het LVL en LWH vormden in 1985 samen de COC-afdeling van Leiden en settelde in in de voormalige jeneverstokerij. Homo-Leiden kreeg zo een definitief gezicht. Nu, na 41 jaar Leidse homobeweging, is er een projectgroep van het COC Leiden bezig om ons Leidse homoverleden in kaart te brengen. Zodat ook de homo’s hun plek krijgen in de geschiedenis van de mooiste stad van Nederland.

Alleen in mijn eigen inertiaalstelsel

juli 8th, 2009

Het is laat.

Maar ik weet niet hoe laat.

Poesje.

fa4731cc-d6c8-ba12-42b93b58b4f814d1_9.jpg

Bruiloft

juli 8th, 2009

Ik heb het niet warm na zo’n trouwerij. Het was een dronken dinsdagavondfeest. Met de damp van drank in mijn porien verlaat ik een onstuimig straatje en stuit op een donker gat langs de gracht. De weg naar het station, verzonken in stilte, maakt me bang van het water en de rompslomp van nattigheid. Soms wankelt een mens uit angst. Maar hoewel ik alleen ben mag ik niet bang zijn. Sterk blijven, denk ik met een bezopen kop. Vanuit mijn pony slijmt waterig bier zich over mijn wenkbrauwen.

Een feest als vanouds. Meiden, jongens, mensen, jeugd. Genoeg te eten voor iedereen. Er was baard, bil en booty. God, wat waren we jong. Op weg naar het station memoreer ik, mijmer ik, en maak ik een bescheiden geschiedenis. Want dit is een bescheiden land zonder fratsen, het lijkt de C1000 wel. Haal je mandje op in Rotterdam en je shopt wat rond op de afdeling Randstedelijke kruidenierswaren. Soms is het gratis snoepscheppen. Toch fratsen dus, maar we zijn er dol op.

Ik heb vaker de neiging een zijspoor in te slaan. Als ik aankom bij het station blijkt de trein vertrokken. Volgende trein? Over 2 uur. Ik zie het niet zitten en val in slaap op een stationsbank. Nog nooit zo heerlijk geslapen. Ik heb namelijk geen bed thuis. Ook geen alcohol op nu hoor. Ik ben gewoon wat laat. Nog wat andere reizigers verslapen zich over elkaar heen als pinguins op straat. Ik krijg het koud.

Hopen op een gelukkig huwelijk.

Tekstuele roadtripfilm

juli 6th, 2009

img_0159.JPG

Voorproefje. Dit is Rome. Links ziet u Vincent. Rechts Marco.

In juli 2008 maakten twee broers, Vincent en Marco, een roadtrip door de landenenclave die in de volksmond bekendstaat als Europa. Nou ja, roadtrip. Meer een treintrip, want de gemiddelde automobilist zit niet te wachten op twee Mama Mia-neuriënde homobroers die met zware koffers met koppen erop hun mobiele telefoons komen opladen in de sigarettenaansteker die hij net heeft laten vernieuwen. Bovendien, wist u dat er in de befaamde Europese Unie zo’n 100.000 kilometer spoorweg ligt? Het kan u natuurlijk geen zier schelen, maar dit is ‘m dan. De roadtripfilm. Dan kunt u meegenieten van de oh zo dierb’re momenten die een normaal mens in z’n plakboek zou plakken met van die tekstballonnetjes.

Maar dit vindt u beter. Want geef nou toe, de belofte van ontboezemingen en de intriges heeft van u een nieuwsgierig aagje gemaakt. U wilt de sappige verhalen, achtervolgingsscènes en een bloedstollende ontknoping. Zit u er klaar voor? Met een nootje en een neutje? Het duurt namelijk wel even. Ik hoop maar dat u geen trein hoeft te halen.

Nadat we onze religieuze evangelisatiedrift in de boemeltrein van de Nederlandse Ontspoorwegen van ons af hadden geschud en met gezwinde spoed is zelden goed de Benelux doorgierden bevonden we ons in het Franse decor van die bekende konimexreclame, je weet wel, over sudderende lapjes en stoofvleesgroentesaus. Maar wacht eens, wie zit er tegenover ons in de trein? Reizen blijkt een gevaarlijke business, want het is Reggie! (red. vriend van Marco, zie hier zijn website)

In Parijs, met zijn 2,15 miljoen inwoners, wordt iedere dag iemand vermoord in de metro en wordt het bestaan van de fietser bedreigd door de vele plotsklaps doodlopende omleidingen en automobilisten met de Franse slag. Om te overleven kun je maar beter goed Frans spreken of een keiharde pokerface hebben, of zoiets. Het is altijd wat, in de grote stad.

Dan komen we aan bij Place de la Madeleine.

Twee brutale Hollanders die naar een information boekje vragen, daar wordt mevrouw Mademoiselle toch wat zenuwachtig van. In sexy city Parijs snakt de arrogante elite naar een zuchtje verlichting van het nimmer aflatende en op je zenuwen werkende toerisme. U begrijpt, de pot verwijt de ketel dat hij op zwart zaad zit, terwijl buiten de muizen tussen wal en schip vallen.

Op 14 juli 1789 kwam het Franse gepeupel in opstand tegen de elite met fakkels en bolderkarren, klaar om de Bastille te bestormen. Tegenwoordig is het de dag waarop de Parijzenaren uit hun bol gaan om het begin van de teloorgang van hun koninkrijk te vieren. Het Louvre is dan trouwens ook gratis, en laat dat nu precies zijn waar wij gretige bovenrivierse kaasvreters wel pap van lusten. Na ons verplichte rondje artifartiparty vertrokken we naar het zuiden. Op naar de warmte, zullen we maar zeggen. Heerlijk hoor, zo’n zinderend zweetzonnetje op je kop de hele dag.

Heb ik al verteld dat Roma Termini Italiaans is voor Roomse uitgang? Nou die uitgang wordt pas een probleem als je rondsjouwend met je ingepakte spulletjes een trolley achter je aan moet slepen. Gelukkig hebben de Italianen er werkelijk alles aan gedaan om hun motorisch gestoorde medemens een warm welkom te heten.

Italië is met zijn 58 miljoen inwoners een van de drukste, gezelligste landen van Europa, vooral in hartje Rome. Daar word je als hoogblonde Westerse dame vanzelfsprekend toegefloten door hele hordes mediterraanse rokkenjagers die er geen doekjes om winden dat ze uitsluitend aan jou hun katholieke ziel en zaligheid willen blootleggen. En of jij bij hen thuis even moederlief wilt komen ontmoeten.

En dan sta je ineens in je kloffie voor het Colosseum. Daar is het ook al zo druk. ’t Is inderdaad best kolossaal, dat oud-Romeinse bolwerk met al die gaten erin. Alleen geen Romein te bekennen natuurlijk. Wel Fred, onze lopende anabolen-steroïden-winkel. (red. tourguide)

Venetië.

Het is wat, je laatste minuten in Italië ronddobberen op een aftanse drijftaxi, terwijl we ons in de oeverloze onmetelijkheid van het Venetiaanse tegoed doen aan allerlei zomerse lekkernijen. Ondertussen wachten paps en moesje aan de Kroatische overzijde van de Adriatische zee.

Welkom bij deze tweede aflevering van de roadtripfilm van Vincent en Marco. We zijn inmiddels op een wellustige, zinnenprikkelende wijze getroffen door de zilte zeelucht en geland in, jawel, het beloofde en volledig leeggeroofde land Kroatië. Het is het land van kogelgat en overtollig kippenvleesvet. En meer nog het land van de vis, want 1 op elke man is er visser en jawel, achter ieder muurtje of hegje hangt wel een lekker authentiek gepocheerd stukkie kabeljauw of zeekomkommer. Om over het brood nog niet te spreken. Het brood is namelijk zelfs voor de overlevers van die laatste oorlog daar in wanneer was dat ook alweer, een taaie niet te versmaden hap constipatiekost. En dat terwijl mama de boulangerière er zo lang op heeft staan braden. Euh broeden. Broeien.

Over broeien gesproken. Op de camping ruik je het smorende, sidderende suddervlees de hele dag tot draadjesvlees verworden. Nee, niet op de barbecue. Gewoon, op strand. Je lekker nestelen in zonnebrandcrème met een boekje en een púzeltje erbij. Zodra de zon begint te schijnen, is de hoogstaande, gedistigneerde establishment van camping De Zwoele Zomerzon er als de kippen bij.

Het is in Kroatië niet moeilijk om met de lokale mensen in contact te treden over de buitenissige muizenissen des levens. En als je daar last van hebt, blijf dan rustig wachten, want alles komt altijd op z’n pootjes terecht. Meneer, wij zijn een stelletje zielige toeristen die uw kaart niet kunnen lezen en nu zijn we in dit onvertogen grutgehucht van u beland. Kunt u misschien vertellen waar we zijn of verstaat u mij niet? Wat zou het toch handig zijn als we allemaal op z’n minst op dezelfde golflengte zaten. Bij de gedachte alleen al begin ik lekker vrolijk te dansen als een kipje op een versgemaaide weidegrond die net opnieuw is ingezaaid.

Hier zie je (red. in de film) hoe we in een verkoukleumd theatertje in het durrepie Svetvincenat de hoge cultuur van de Balkan gadeslaan. Het valt ons ietwat rauw op ons dak, en zelfs na al onze culinaire escapades schrikken we er toch een beetje van als het in volle hevigheid tot ons doordringt wat die gekke meiden daar op de bühne uitspoken. Ze beelden namelijk kippen uit. Althans. Ze liggen hier tegen grove betaling voor een groot publiek als oud vuilnis met hun bevuilde lichamen de grond te dweilen. De grond wordt er niet echt schoner van en als je er iets te lang over nadenkt is het een koud kunstje. Kortom, hartstikke gezellig, zo’n avondje in Svetvincenat.

Na ons suikerweekje bij ons pap en ons mam die voor het eerst sinds jaaaaaaaren geen sleurhut hadden meegenomen, vertrokken we in een gaar busje naar Zagreb. Maar broertjes van het goede leven, zo vragen de mensen ons wel eens, waarom gingen jullie niet gewoon met de trein? Het antwoord laat zich raden. In Kroatië liggen vier spoorlijnen die allemaal zo nu en dan groot onderhoud behoeven. Daarmee wordt bedoeld dat men het werk tijdelijk neerlegt om te zien of de spoorlijnen nog wel aan de hóógste kwaliteitseisen voldoen.

Onze reis zette zich voort naar Praag, via, hoe kan het ook anders, Wenen. Praag, moet u weten, is een soort Efteling, maar wel het hele jaar geopend. Inclusief attracties met lange rijen ervoor en onderbetaalde lolbroeken waar je voor een kwartje mee op de foto mag.

Het laatste gedeelte van onze reis voert ons langs die gemütliche und freundliche Kneibe des Deutsche Faterlands, Berlijn. In het holst van de nacht komen we aan in bejaardenhaus Julia, waar we in een gezellig weggestopt hoekje een bezemkast huren.

Hoe gaat dat rijmpje ook alweer? Het is altijd fijn om in Berlijn te zijn. En dat soort tegeltjeswijsheden. Sinds 18 januari 1871 is Berlijn hoofdstad van onze Oosterburen en sindsdien hebben ze het volgestouwd met monumenten, louche achterafcafeetjes, en heroïnespuitende crackhoertjes die geen vlieg kwaad doen, zolang je maar gewoon gezellig meedoet in de voortstuwende organische drukte op straat.

Maar Berlijn is bovenal de stad van het sterrendom, en waar, zo ondervonden wij, voorname Duitse lieden hun residentie hebben.

Met high speed highspeed (?) terug naar Amsterdam.

(DVD is te bestellen, mail naar dit adres. Kost een paar duiten.)

Moeder Ruslands jongste zoon, Санкт-Петербург

juli 2nd, 2009

Zou het de mens gegeven worden zijn levensgeluk nauwkeurig af te meten en daarbij over alle consequenties voortvloeiend uit alle keuzes te beschikken, dan zou St. Petersburg onmetelijk groter groeien, zij het op een kwadratische, logaritmische of exponentiële wijze, omdat het een aanlokkelijke plek is waar de glorie van het westen het ijzeren oosten allure geeft.

img_2079.JPG

De groep, v.l.n.r. Roeland, Oliver, Astrid, Marco, Cathelijne, Sander, Thomas, Annelieke, Marleen, Joanne, Jasper, Frederik, Tim, Sofie, Geralde, Margot, Evelyn, Giel

Wanneer de avond invalt baant een boemeltrein zich oostwaarts, van Leiden naar Keulen, vanwaar wij in een vloeiende parabool doorzweven naar dat kleine stukje Europa onder de vlag van de Russische Federatie. Nadat we een voor velen slapeloze nacht op vliegveld Keulen hadden doorgebracht arriveren wij, onder leiding van de buitenlandreiscommissie Cathelijne, Frederik, Joanne, Roeland en Sofie, middels een heel krap maar gezellig busje veilig in ons hostel in hartje St. Petersburg. Daar voegt het zesde lid van de commissie zich bij ons, Oliver, die een dag eerder vanuit Italie is aangevlogen.

Niet in de laatste plaats is de reis succesvol dankzij de diplomatieke bemiddelling van Natalie, die zeer zeker een talenwonder genoemd mag worden, daar zij als Belg niet alleen het Nederlands, Frans en Engels machtig is, maar zaken ook vloeiend in het Russisch te berde brengt, en zodoende haast instinctief te hulp schiet, wanneer ik ploeterend met handen en voeten aan de gebrekkig Engelssprekende douanière duidelijk maak dat mijn paspoort niet vervalst is, hoewel de microfractuur in de hoek boven mijn pasfoto wellicht anders doet vermoeden.

Maar ook in het hostel, waar nota bene een bedrijfje zit dat Engelscursussen organiseert, beroepen wij ons voor onze communicatie met de lokalen op haar talige kunsten, te meer daar de eigenaresse een zodanig druk leven leidt dat ze het zich nauwelijks kan permitteren om, als we haar prikbord en de foto’s op haar computer mogen geloven, naast buitensporige feestjes en rollebollende flitsrelaties, nog om te kijken naar wat culturele groepstoeristen die een weekje in haar hostel komen logeren, zodat we ons al snel dagelijks wenden tot de rijpe, wat mollige Russische schoonmaakster die ons haar kinderen noemt en daarmee, gewapend met stofzuiger en zwaar strijkgeschut, zich al vlug ontpopt tot jolige diva van wie men in haar naïeve geluk niet de minste ongerechtigheid verwacht. Hoewel we ons alleen gebarend of via Natalie aan haar verstaanbaar kunnen maken, krijgt ze vanwege het maternale thuisgevoel dat haar als een aura omgeeft de groepskoosnaam ‘die Mutti’.

Nadat Mutti zich zeulend met waslijnen en beddengoed heeft ingelaten met wat gesteggel over de kamerschikking en ieder zijn persoonlijke plekje heeft ingericht steekt het Prometheaanse gezelschap, nu voor ’t eerst compleet als groep, de Nevski Prospekt over bij de nabijgelegen Kazankathedraal, vernoemd naar de icoon van de Madonna van Kazan, die als Russisch-orthodox symbool lange rijen gelovigen tot godsgebeden aanzet. Marleen vindt de versierselen pompeus en ook Frederik, hoewel zijn mening als student kunstgeschiedenis wellicht genuanceerder is verwoord, gaat hier in mee. De hoge hallen reiken naar het hemelrijk. Margot laat haar blik glijden langs de pilaren naar boven en treft daar, zichtbaar aan de verliefde fonkelingen in haar ogen, een opflakkerend kaarslicht boven de galerijen die tweezijdig ten opzichte van het spreekgestoelte zijn aangelegd. Hoe vreedzaam de stilte binnen is, zo grof wordt een groep vredesdemonstranten, bivakkerend rondom de fontein in de kathedraalhof buiten, door de politie weggedreven en versplinterd.

img_2101.JPG

De Neva, breed en organisch

Kuierend langs de Nevski treffen wij vluchtig de Hermitage, de Admiraliteit en de Neva, die in allemachtige schittering betongroen afsteekt tegen het uitgesproken hemelblauw dat zelfs de huiveringwekkende havenkranen in de verte siert. Na voedzame Russische dan wel Georgische maaltijden bereikt men zelfs voor het invallen van de nachtelijke duisternis een diepe, ingetogen, snurkloze slaap.

Al bij het vroeg krieken der dageraad weten we het zeker, het wordt een kostelijke zondag. Een week geleden sneeuwde het nog. Nu wappert door de luiken een zachte wind langs de gordijnen.

Vandaag is het warm in de stad, en net als gisteren dromt een internationaal publiek samen op het strand voor de vesting. Het is geen winter meer, maar zomer is het ook nog niet. Het gezelschap stiefelt langs de Admiraliteit, dat als verdrongen hoofdkwartier van de marine met zijn afschuiningen, koepelbolling en vergulden aanpunting al eeuwen letterlijk in het centrum van de belangstelling staat. Aan het dweperig voortkabbelende water is het een drukte van jewelste, vrijers liefkozen, toeristen passeren en rond de windvrije vesting zijn het vooral de Russen die er in merkwaardige kliekjes zich ophouden om staand te zonnebaden. Astrid maakt onderweg naar het fort met haar analoge camera stiekem een foto van het tafereel.

Eenmaal over de loopbrug binnengekomen blijkt het reusachtige Peter en Paul-fort een bonte verzameling musea, exposities en bijgebouwen te herbergen die men als student met korting vrijwel allemaal mag binnentreden. Toch maar kapitalisme dus. Het tsarengraf in de kathedraal is een provocerende constellatie van uitgedost marmer en edelmetaal die voor een bevooroordeelde westerling tot in het onooglijke met de hightech souvenirwinkel bij de uitgang combineert. Ook zijn er kanonnen, kerkers en koninklijke residenties op het terrein. Het is rustig vandaag. Evelyn krijgt met een oud vrouwtje aan de stok doordat ze zichzelf als gevangene laat fotograferen op een metalen bajesbed en Tim slaat een blij gilletje uit als hij Строгановы tot Stroganov vertaalt. Zouden we het Russisch meester kunnen worden?

Daarop volgt een wandeling naar een afschuwelijk grijs geval, drijvend in een zijtak van de Neva. De Aurora. Geankerd in onverstoorbaar water wordt het museumschip geboend en geschrobd door mariniers die torsend hun bezwete lichamen storten op het dek. Hier, tussen de toeristen die net als wij een kijkje komen nemen, is het ouwe jongens krentenbrood.

Over jongen gesproken, aan de Petrogradskaya wordt een berenjong ingezet als toeristenlokker. Het werkt. Spoedig omcirkelt een geagiteerd Prometheaans gezelschap het meedogenloze schouwspel. Bij de confrontatie met de eigenaresse van het tere schepsel, dat eerder probeert te vluchten dan te dansen, raken de goede manieren in verval: Sofie stelt voor de dierenbescherming te bellen, maar komt daar al snel op terug wanneer anderen met oer-Hollandse terechtwijzingen een algeheel misprijzen laten circuleren van waaruit, gewapend met woede, tenslotte een stekelige bedreiging opborrelt die zelfs tientallen meters verder, aan het eind van de boulevard, wordt opgemerkt door een groepje lanterfanterende veteranen. Wanneer de onderhandelingen over het welzijn van het beertje uit de hand lopen hebben zich inmiddels colonnes onbekenden als knokploegen om ons heen verzameld: onmiddellijk roept Natalie ons tot de orde en Joanne leidt ons vlug de Дворцо́вый мост over, de Paleisbrug, in gedachten achtervolgd door hordes met fakkels en bolderkarren, vluchtend naar de overzijde van het water, waar wij bekomend van ons verzengende dierenrechtenvuur de Sint-Izaäkkathedraal indringen. In de kerk ben je veilig. Niemand is gewond geraakt. ’s Avonds wordt er Siberisch gegeten.

img_2135.JPG

Laatste rustplaatsen der tsaren

Opmerkelijk is dat de Nevski bezaaid is met Greenpeacemascottes, variërend van pratende beertjes tot lopende prullenbakken die folders uitdelen. Het is maandag, spitsuur. Per metro en benenwagen arriveren wij in het Nederlands Instituut, waar wij worden toegesproken door de directrice, mevrouw Mila Chevalier, en de Consul-Generaal aldaar van wie wij, vergezeld door een wethouder uit Rotterdam, bij wijze van vragenspel meer te weten te komen over de band tussen Nederland en St. Petersburg. Gelukkig zijn er veel koekjes.

Astrid, Giel, Marleen, Thomas, Annelieke en ik verkennen een Russisch-Azerbeidzjaans marktje, terwijl Tim en Evelyn zichzelf trakteren op een weldadige knipbeurt die hun kapsels terugbrengt naar decennia van weleer. Marleen en ik laten ons met gladde verkooptechnieken overtuigen drie authentieke peren en een mandarijn te kopen. Nooit zag ik zulke hompen vlees noch zulke pokdalige slagers die met grotesk slagersmaterieel de hompen, doordrenkt met slagaderlijk bloed, zo krachtig doorklieven. Ach en wat geeft het als er een stukje op de grond valt in een stad die door de strenge winters gezuiverd is van maligne micro-organismen? Op de markt doen de mannen het zware werk, vrouwen verkopen glimlachend de kaas. Dat heet emancipatoir.

Een man ligt om zijn wodkaroes te ronken in de zon. Tien Aziaten worden streng een politiebusje in gedirigeerd. Grote architectuur prijkt trots voor het schemerende moederland. Dit is het eind van de aorta van de stad, de Nevski, het verkeersplein Ploshchad’ Vosstaniya, ruim vier kilometer verwijderd van ons hostel. Vanavond eten we lekker veel voor weinig in een Azerbeidzjaans restaurant met onderdanig personeel, maar eerst brengen we een bezoek aan het Alexander Nevski-klooster en de daarnaast aangelegde begraafplaatsen die, als wij de meegebrachte reisgidsen mogen geloven, als laatste rustplaats dienen voor bekende Russen, en waar men alleen nog gratis langs de oubollige kloosterkassa’s komt door als Russische wetenschapper of kunstenaar wereldberoemd te overlijden. Hoewel het klooster in een staat van verval danwel restauratie verkeert en het binnenhofje er in zijn onregelmatige vijfhoekigheid verwaarloosd bijligt, wordt ons binnen de kapel wel kenbaar gemaakt dat God moeder Rusland nog niet verlaten heeft. Op verzoek ontbloot ik mijn hoofd en prevel een atheïstisch schietgebedje dat ik nog van vroeger ken.

Voor het Stieglitzmuseum hadden we moeten reserveren, maar toch mogen we naar binnen als we beloven muisstil te zijn, in verband met de kunststudenten die er in hetzelfde gebouw op hun persoonlijke beproevingen moeten concentreren. Frederik geeft kunstles; Sander aarzelt geen moment als hij het kabinet met munten ziet. Aangekomen in de laatste zaal vol moderne kunst, die zonder ironie bij de uitgang van het museum is ingericht, begint plotseling, zonder overgang, een nieuwe dag.

Mutti kan wel worst met mayonaise maken van een stevig ontbijt voordat we op weg gaan om in het academiewijkje langs de Vasileostrovskaya een kathedraal te betreden waar zojuist een eucharistieviering begint. Om de hoek van dit godshuis verkoopt een bakker broodjes uit een bolvormige kleioven, zodat de gehele buurt overweldigend riekt naar alles wat de almachtige verboden heeft. In Rusland is vrijheid van religie een gekoesterde verworvenheid.

Natalie loodst ons als tolk met de rondleidster mee door het Poesjkinhuis, de plek waar spulletjes en documenten gerelateerd Ruslands grootste dichter Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin nauwkeurig bewaard worden, maar waar hij, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, nooit gewoond heeft. Uit jaloezie stierf hij op 37-jarige leeftijd de dichtersdood en liet daarbij een invloedrijk oeuvre na. Jaarlijks wanen een kwart miljoen Poesjkinliefhebbers zich tussen de hoge boekenkasten en meubelstukken die hij achterliet. Er wordt zelfs als relikwie wat haar van hem bewaard. Je weet immers maar nooit waar het handig voor kan zijn.

Bij het invallen van de avond vallen ook de vervreemdende druppeltjes die ons aanzetten in vol ornaat, dat wil zeggen deftig, gevlooid en voorzien van paraplu, te arriveren bij het Mariinskitheater voor Tsjaikovski’s alom gekende werk, het Zwanenmeer. Een prachtige avond treedt in, en dans en muziek troosten ons, na nog een potje Boonanza uiteraard, in slaap.

St. Petersburg heeft ook een heel moderne kant, met winkelcentra, homobars en fastfoodrestaurants die in megalomane gebouwen willen concurreren met de erfenis van de eeuwen daarvoor. De geschiedenis gaat terug tot de 18e eeuw, toen de stad werd gesticht door Peter de Grote. Vanwege zijn open karakter en het dynamische artistieke leven is St. Petersburg een toevluchtsoord en inspiratiebron voor iedere kunstenaar, nationaal en internationaal.

Het Russisch museum biedt een hedendaags overzicht van de kunst uit de gehele federatie. Het is 30 april, Koninginnedag in Holland. Het is de dag waarop een gek in Apeldoorn inrijdt op een feestende massa, waarbij doden en gewonden vallen. Tragiek in de monarchie. Toch zingen we het Wilhelmus voor het Poesjkinhuis, waar we overigens even buurten om te zien hoe Poesjkins appartement eruit moet hebben gezien.

Onze reis nadert het einde, Mutti lacht ons met haar worsten toe. Hoewel onze voeten blauw zijn van de wodka en onze wangen rozig van de slaap, gaan wij door op het rechte pad van het Prometheanisme, op zoek naar altijd meer cultuur. Het Hermitage wordt aangedaan, een bolwerk van kunst waarbij ieder Nederlands museum, op de Hermitagedependance in Amsterdam na, opeens niet meer is dan een luttele poging ook iets aan cultuur te doen. Ach, en het Winterpaleis natuurlijk, dat er heldergroen bijstaat op de groepsfoto die wij er namen. Niets herinnert meer aan die ernstige brand in 1837, toen het paleis volledig opging in as.

Wij dalen voor u af in Moeder Ruslands jongste zoon, St. Petersburg. Ik zou u zoveel meer kunnen vertellen, over de imperiale paleistuinen en de Peterhof, Evelyn die haar oor laat uitspuiten en Jasper die ook eens met Boonanza wint. Maar ik ben vastbesloten u alles te onthouden en ons verhaal in Rusland te laten zijn wat ik ervan gemaakt heb. Worst.

Met dikke Russische mayo.

img_2108.JPG

Ik in vakantiemood, op de brug

Entropie

juni 27th, 2009

Entropie is een ander woord voor chaos in het heelal. Daar gaat dit tekstje over, chaos, op een voortschrijdend entropische manier.

Vandaag zie ik Karin Bloemen optreden. Chaotische pijpenkrullen, fonkelende jurk. Het is op mijn broertjes eerste echte feestje, in Utrecht. Omdat ik een kaartje over heb smokkel ik hem mee in de trein. Althans, de trein is het probleem nog niet.

Meer de drank. Twee ruwe beveiligingshanden verwijderen mijn illegale fles cola bij het betreden van het feestterrein. Ik wist het niet, echt niet, maar daar wil zij, het is een vrouw, weer niets van weten. Zo de prullenbak in. Een lichte siddering van onmacht maakt in een flits plaats voor de wrange constatering dat we het toch weer klaargespeeld hebben. Het milieu verkrachten.

Niet omdat cola niet biologisch afbreekbaar is noch vanwege de herbruikbaarheid van de plastic fles. Het gaat om het drankje zelf, 2 liter verspilde energie. Waar gaat die cola heen als het uit de prullenbak wordt gehaald? Ik maak me daar gewoon zorgen om.

Goed, het gebeurt wel vaker, zult u zeggen, en u hebt waarschijnlijk gelijk. Ik mijmer wellicht wat in de hoop op iets dat ik niet eens kan verwoorden. Wat kan ons het lot van het universum toch schelen. Bovendien, Karin Bloemen maakt een hoop goed. En haar glitterjurk is ook niet biologisch afbreekbaar. Hoewel de strenge bewakingsbeambte er als lange arm der wet zelf ook niets aan kan doen, heb ik gewoon geen respect voor waarom ze die colafles moet weggooien van de baas. Ik kan het niet opbrengen, ik begrijp het niet. Ben ik een slecht mens?

Misschien. Vanavond hossen mijn broertje Vincent en ik mee op de deuntjes. Utrecht staat op z’n kop, we gaan pas om 7 uur naar bed. We maken ons er geen zorgen om dat buiten onze dampkring de entropie van het universum is vergroot. Dat als ooit de zon is uitgedoofd, een donker klompje aarde, of zelfs niets, onze herinnering is. Wat zegt u, broeikaseffect?

Nee, entropie. Vervuiling, chaos en entropie, daar heb ik het over. Maar goed, eerst maar dat broeikaseffect tackelen inderdaad.

Muonen, presentatie

juni 16th, 2009

Pornoartikel